Dit 31 pagina’s tellende boek in tijdschriftformaat is geschreven door Eduard Cuypers, de architect van Stoop’s bad. Het is verschenen in 1923 als overdruk van het tijdschrift Het huis, oud en nieuw. Het boek is ook digitaal te bekijken via Delpher, waar miljoenen gedigitaliseerde teksten uit Nederlandse kranten, boeken en tijdschriften te vinden zijn.

Digitalisering van kwetsbare boekwerken als deze is o.a. zeer verstandig ter conservatie. Dat blijkt wel uit het feit dat tijdens het scannen van de vele afbeeldingen de kaft van mijn exemplaar helaas loskwam van het binnenwerk…

Leeswijzer
Het boek begint met een vrij uitgebreide beschrijving van het ontstaan en de ontwikkeling van bad- en zweminrichtingen. Ben je meer geïnteresseerd in het zwembad en de vele bijbehorende prachtige foto’s, scroll dan vooral snel door naar beneden. Als aanvulling beëindig ik met informatie over de opening van het zwembad en de huidige functie.


Kort historisch overzicht van het ontstaan en de ontwikkeling van bad- en zweminrichtingen

De verschillende afbeeldingen in dit gedeelte zijn ontleend aan W. Schleyer – Bäder und Badeanstalten.

Baden diende oorspronkelijk bijna uitsluitend om zich schoon te wassen van de zonde. Langzaam ging dit over tot een niet godsdienstig gebruik, omdat de mensen een dringende behoefte hadden aan reinheid. In de oudheid gaf deze gewoonte aan zwemmen en baden aanleiding tot de stichting van bad- en zweminrichtingen.

In het begin zwom men alleen in stromend water omdat dit godsdienstig was voorgeschreven. Ook nu zien we dit nog bij Indiërs in de heilige Ganges. Ook bij de oude Egyptenaren was er een strenge badcultuur, gebaseerd op het weer rein worden. Ook de Grieken kenden een dergelijke behoefte aan reinheid.

De Grieken maakten gebruik van zowel koude als warme baden. Schliemann heeft bij zijn opgravingen fundamenten van een badkamer gevonden, terwijl in Tiryns ook badkuipen zijn opgegraven die betrekkelijk weinig verschillend zijn van de onze. Voor een warm bad werd het water zeer waarschijnlijk gewarmd op de welbekende drievoet (afb. 2).

Een warm bad werd alleen gebruikt na zeer grote lichamelijke inspanning, hoewel dit ook als verwijfd werd beschouwd. Ook vrouwen baadden graag en vaak zelfs meerdere malen per dag. De zwemkunst stond door de Grieken zo hoog aangeschreven dat het gelijk werd gesteld met het schrijven.

Eerst waren er alleen openbare bad- en zweminrichtingen. Toen het langzaam een algemeen gebruik werd om voor de hoofdmaaltijd een bad te nemen, werden er meer en meer badkamers in de huizen zelf ingericht. Reeds in de 5e eeuw v. Chr. bestonden er openbare bad- en zweminrichtingen, waar zowel mannen als vrouwen gebruik van maakten. Naast een groot bassin waren er kuipbaden en zelfs ook al douches met warm en koud water (afb. 3).

Naast de door mensenhanden aangelegde badgelegenheden hadden de Grieken ook veel op met natuurbaden, temeer nog omdat er vele bij waren die geneeskracht bezaten. Bij Homerus is te lezen dat de Trojaanse vrouwen en meisjes gingen baden in de beide bronnen van de Skamander. Sinds de oude Aesculaap Hippocrates zich gunstig uitliet over hun grote genezende kracht, werden er al spoedig grote badhuizen opgericht.

De Romeinen
In het oude Rome baadde men in de gele Tiber, waar zich de openbare volksbadplaatsen bevonden. In de winter baadde men thuis in zgn. lavatrina. Door de aanleg van riolering werd zwemmen in de Tiber steeds minder geschikt. Daarom werden er zgn. balnea, openbare badinrichtingen gebouwd. In die tijd waren de baden erg donker, omdat men de opvatting had, dat deze anders niet warm konden zijn.

In 312 – 305 v. Chr. werden de eerste grote aquaducten aangelegd, maar er kwam pas een eeuw later verbetering toen er nog 3 grote waterleidingen werden aangelegd. De Griekse wijze van baden kwam nu in zwang, mede door de Griekse doktoren in Rome, die de heilzame invloed van baden propageerden.

Langzamerhand gaat de noodzaak over tot een genoegen. Uit eenvoudige badgelegenheden ontstaan Kurorte, waar men voor de gezelligheid heen ging. Echte luxe vindt men terug in de badkamers van particuliere woningen. Voor een volkomen bad waren onmisbaar:

  • Een verblijf in warme lucht
  • Een warm bad
  • Een koud bad
  • Het afdrogen.

Hiervoor had men minstens 3 kamers nodig:

  1. Het tepidarium (afb. 8)
  2. Het caldarium
  3. Het frigidarium (afb. 7).

Niet alleen in huizen, maar ook op de schepen trof men deze badkamers aan. Vanwege het warme klimaat was er weinig behoefte aan verwarmde inrichtingen. Op de dagen dat het wat kouder was gebruikte men draagbare kachels. De 1e centrale verwarming stamt uit 89 v. Chr. Nu kon niet alleen een kamer goed worden verwarmd, maar was er ook warm badwater. De mannen- en vrouwenafdeling zijn naast elkaar aangelegd en beide werden tegelijk verwarmd (afb. 4).

Pompeï
De baden van Pompeï behoren tot de best bewaarde openbare badinrichtingen. Er waren er 3, waarvan de grootste en oudste, de Balnea Stabiana, in 1860 is opgegraven. Dit Belneum is opgericht in het begin van de laatste eeuw v. Chr. en heeft in de loop der tijden verschillende veranderingen ondergaan. Overblijfselen van Romeinse baden vinden we terug in zowel Engeland en Spanje als in de Donaulanden. In Noord-Afrika zijn in Timgrad een 6-tal inrichtingen opgegraven. Het oude Rome bezat 10-tallen badinrichtingen.

De grootste weelde vond men in de keizerlijke thermen. Hieraan werden gelegenheden tot vermaak, ontspanning, conversatie en ontwikkeling verbonden. Er werden muziekuitvoeringen gegeven en wetenschappelijke en literaire voordrachten. Soms legde men er kunstverzamelingen en bibliotheken aan.

Bij de bouw ging men uit van het Griekse gymnasion, met grote ruimten, tuinen met zuilengalerijen, vrije oefen- en speelplaatsen en vaak naast een overdekt bassin ook één in de openlucht. Keizer Agrippa liet in Rome als eerste thermen aanleggen vanaf 25 v. Chr. Van de latere keizers hebben vele nog badinrichtingen als geschenk aan het volk gegeven.

Ter wille van de uitgestrektheid moeten nog even de baden van Caracalla vermeld, waarvan de bijgevoegde plattegrond het hoofdgebouw weergeeft. Drie eeuwen zijn zij in gebruik geweest. Nog groter zijn de thermen van Diocletianus, terwijl als keizerlijke inrichtingen die van Constantinus genoemd moeten worden. Dit was op het hoogtepunt van de badinrichtingen, zowel wat weelde als aantal betreft. Het waren er 952 verspreid over de hele stad.

Door het overmatige baden nam de zedeloosheid sterk toe. Men hield zich langzamerhand niet meer aan het gescheiden baden. Pas toen het Christendom grotere omvang kreeg, verminderden de bezoeken en begint hun sterk verval. Dat kwam ook doordat Constantijn de Grote de residentie van Rome naar Constantinopel verplaatste en het beste en meest aristocratische deel van de bevolking meenam. Er werden ter plekke nieuwe thermen gebouwd.

Onder latere heersers zijn nog meer baden aan de stad geschonken, zij het eenvoudiger van inrichting. Een uitzondering hierop zijn de thermen welke Justitianis zozeer verfraaide met prachtig marmer, mozaïek en beeldhouwwerken. In Constantinopel waren 8 grote openbare thermen en 153 particuliere inrichtingen.

De Turkse badinrichtingen werden door Mohammed, de stichter van de nieuwe godsdienst van strenge voorschriften voorzien ten opzichte van hygiëne. De lichamelijke reinheid was een symbool van de geestelijke. Er werden oude inrichtingen van de Romeinen en Byzantijnen gebruikt en ook werden er nieuwe inrichtingen gebouwd.

Met de aanleg van waterleidingen in 1763 (Sultan Mahoemed I) en 1766 (Sultan Mustufa) werd het veel gemakkelijker de openbare reinigingsinrichtingen aan te leggen. In Constantinopel zal de 13 mooiste en grootse badinrichtingen op oude fundamenten gebouwd. In 1885 telde men 169 openbare badinrichtingen.

Het bad van de Mohammedanen verschilt met die van de oude Grieken en Romeinen. Elke lichaamsbeweging wordt zorgvuldig vermeden. In plaats van spelen en sport, wordt hier een zeer zorgvuldige massage van ieder lichaamsdeel en elke spier toegepast. Hierna wordt men met steeds kouder water overgoten. Mannen en vrouwen maakten op verschillende tijden van de dag gebruik van de badinrichtingen.

Bij het binnentreden komt men in een grote koepelvormige ruimte met rustbanken. De belichting geschiedt door talrijke ongekleurde of bonte glazen, die in het plafond van de koepel zijn aangelegd (afb. 9). In het midden bevindt zich een van rustbanken voorziene ruimte.

Na 5 à 10 minuten gaat men naar het eigenlijke dampbad, waar de temperatuur ongeveer 48 ° C. bedraagt. Hier wordt men gemasseerd, afgewreven en met zeep gewassen, daarna in een daarnaast gelegen vertrek, waar zich badkuipen of bassins bevinden, met steeds kouder wordend water overgoten om dan, gehuld in een badlaken, naar het eerstgenoemde vertrek terug te gaan en op een rustbank gaan liggen.

In Spanje beschikt het Alhambra over een reeks vertrekken, voor koude- en dampbaden. De Mohammedanen maakten ook graag gebruik van baden, die de natuur hun bood. Dit waren dan vooral de warme minerale bronnen.

De meer noordelijk wonende volkeren gebruikten, ondanks het ongunstige klimaat de rivieren als badplaats. Zij baadden niet alleen uit zindelijkheid, maar ook voor sport en om zich te harden. Bovendien was het ook bij hen meestal een godsdienstig voorschrift, omdat zij nooit ongewassen een heilige plaats mochten betreden.

Ook bestond bij hen het gebruik een pas geboren kind onder water te dompelen, een krachtig middel om te zien of het sterk genoeg was om te blijven leven. Natuurlijk maakten zij ook gebruik van warme baden. Het water maakten zij warm door er gloeiende stenen in te gooien. Er werden ook zwemwedstrijden uitgeschreven en eeuwenlang gingen de Franken dan met de prijzen strijken. Het heette dat Karel de Grote de beste zwemmer van zijn tijd was.

Hij bezocht regelmatig de warme bronnen van Aken.Ook geestelijken mochten baden en dikwijls werden er aparte badkamers in de kloosters ingericht. Pas later ontstond op sommige plaatsen de mening dat baden niet als genot moest worden beschouwd. De badkamers bevonden zich in de onmiddellijke nabijheid van de keuken, waardoor men gemakkelijker het warme water in de kuipen kon krijgen. De inrichting was uiterst eenvoudig.

Voordat een aanstaande ridder tot ridder geslagen werd, moest deze eerst een bad nemen om geheel rein in zijn nieuwe stand te komen. In de meeste burchten waren geen speciale badkamers. Daar zette men dan een badkuip in een slaapkamer klaar. Als velen tegelijk een bad wilden nemen, dan werd snel de grote zaal tot gemeenschappelijke badkamer ingericht.

De burgerij volgde al spoedig het voorbeeld van de ridderschappen. Al voor de Kruistochten waren er particuliere en openbare badinrichtingen. Welgestelde burgers hadden een badkamer en al spoedig was deze zelfs het gezelligst ingerichte vertrek van het huis. Handwerkslieden en boeren volgden dit voorbeeld spoedig. Wie geen badkamer in huis kon hebben ging naar een openbare badinrichting, waarover alle steden en veel dorpen beschikten.

Eerst baadde men alleen voor kerkelijke feestdagen, daarna éénmaal in de week. De kerk vond baden niet gepast op vrijdag. Zaterdag was de drukste dag in badinrichtingen. Naast kerkelijke feestdagen ontstond ook de gewoonte om te baden vóór feestelijke gelegenheden.

Arbeiders kregen op zaterdag een uur eerder vrij om te kunnen baden. Bij het weekloon werd meestal iets extra gevoegd als badgeld. Het was gebruikelijk om met volle maag te baden. Op prenten zie je daarom vaak ook levensmiddelen. Evenals bij de Romeinen was het baden gaan behoren tot de vereisten voor een gezellig en vrolijk leven (zie afb. 1).

Eigenaardig waren de Jodenbaden, die volgens het voorschrift van Mozes werden gesticht. Vrouwen moesten één keer per maand baden en dan ook vooral de dag voor hun huwelijk. De bruid ging dan vergezeld van een badvrouw haar bad nemen, waarbij zij dan geheel ondergedompeld moest worden in levend water (stromend of bronwater). Het was nog lastig om geschikte bronnen te vinden en om daar dan een inrichting aan te leggen.

In de middeleeuwen werd ook gebruik gemaakt van baden in de natuur. Italië is een goed voorbeeld. Hoewel er soms wel muurtjes waren aangebracht baden mannen en vrouwen tezamen. Er werd soms heel lang gebaad, waarbij er dan gegeten werd van drijvende tafeltjes.

De bijgelovigheid tierde welig en men meende stellig dat verschillende baden buitengewone wonderkrachten bezaten. Zo hield men strak en stijf vol, dat er een bron bestond, die jeugd en gezondheid kon teruggeven (afb. 10). Naar alle waarschijnlijkheid had men ook bassins met koud water in de openlucht aangelegd. Er bestaat namelijk een tekening van Albrecht Dürer die een dergelijk bad voorstelt (afb. 11).

Langzamerhand veranderde men van opvatting en werd het baden in de vrije natuur als onzedelijk beschouwd en er ontstonden daartegen allerlei verordeningen. Deze strenge opvatting volgde als een reactie op de al te grote losbandigheid. Toen ging men weer naar de andere kant overdrijven en beweerde dat baden zeer schadelijk was voor de gezondheid. In de 17e eeuw waren er vorsten die hun hele leven lang nooit een bad hebben genomen.

Aan het eind van de 17e eeuw kwam er meer aandacht voor de volksgezondheid. In 1693 vroeg de Engelse filosoof John Locke voor de gehele mannelijke jeugd zwemonderwijs. Rousseau en Badesof gingen nog verder en verlangden het zwemmen als leervak, hetgeen echter pas in de 19e eeuw op enkele scholen als zodanig werd ingevoerd.

Frankrijk
In Frankrijk werd de eerste stap in meer sanitaire richting genomen in 1761, toen door de overheid de eerste openbare badinrichting in de Seine werd opgericht. In 1822 werd in Parijs het zogenaamde badkarretje uitgevonden (afb. 12). Op dit karretje stond een zeer kleine badkuip en een vat heet water. Dit geheel werd naar het huis van de gebruikers gereden, waarna de badkuip naar binnen werd gedragen en met emmers heet water uit het vat werd gevuld.

Duitsland
In Duitsland was men nog wel van mening dat het in strijd was met de zedelijkheid om in de vrije lucht te baden. Zelfs Goethe spreekt over deze waanzin der natuurenthousiasten. Hij maakte hierbij wel een uitzondering voor zichzelf omdat in verschillende van zijn werken een beschrijving is te lezen van het genot van het baden in de vrije natuur.

De eerste openbare zweminrichting werd in 1774 in Frankfurt opgericht, in 1781 gevolgd door Wenen. Echter, totdat generaal Van Pfuel in 1817 in Berlijn de eerste militaire zwemschool liet bouwen waarvan ook burgers gebruik konden maken, was het meeste publiek en de overheid tegen zwemmen.

Langzaam volgen meer steden dit voorbeeld, hoewel pas in 1837 het eerste zwembad voor mannen en vrouwen wordt geopend. Het zwemmen wordt meer populair en uiteindelijk wordt wordt het in 1873 voor het eerst als verplicht leervak in een Pruisische inrichting voor onderwijs opgenomen.

Engeland
In 1842 werd er reeds een bad- en zweminrichting voor de arbeidersklasse opgericht in Liverpool. Vanwege het succes vond dit al spoedig navolging in Londen en in vele andere steden.

Holland
Vooral in de laatste jaren is hier het baden en zwemmen zeer toegenomen. Procentsgewijs is het aantal mensen wat kan zwemmen gering, wat opmerkelijk is in een land waar meer dan elders overal de gelegenheid is om de sport te beoefenen. Om het volk zindelijkheid te leren zou men het beste met de schoolkinderen kunnen beginnen en het zwemmen als verplicht leervak in het leerprogramma op te nemen.

Twee wegen staan er open, om het rechte begrip te krijgen van zindelijkheid en wel het aanleggen van bad- en douchekamers in woningen en het oprichten van openbare bad- en zweminrichtingen. Van deze laatste zien wij er al meer en meer verschijnen en is Stoop’s bad zeker wel als één van de beroemdste te noemen.

De nummering van de afbeeldingen begint in het volgende gedeelte van het boek weer bij 1.

Stoop’s bad
Tussen Haarlem en Overveen ligt één van de modernste zwem- en badinrichtingen die ons land telt (afb. 2). Hier is geen moeite gespaard om op hygiënisch gebied, een voorbeeld tot stand te brengen. Het baden is noodzakelijk voor de zindelijkheid en voor het behoud van de lichamelijke gezondheid.

Vooral voor diegenen, die veel in een stoffige omgeving moeten verblijven en ook voor kinderen zijn kuip- en douchebaden onontbeerlijk. Daarnaast is het zwemmen van groot belang. Regelmatig zwemmen zorgt voor de nodige beweging van de spieren in armen en benen. Daarnaast moeten ook het hart en de longen aan de slag. De borstkas zet zich hierdoor uit en het bevordert tevens de bloedsomloop.

Via de voortuin kom je bij de entree met links de toegang tot de theeschenkerij en rechts tot de heren- en dameskapsalon (afb. 21). Achter de entree ligt de grote hal met kassa, bureau en afdeling uitgifte van badgoed.

Vervolgens zijn er rechts en links afdelingen met kuipbaden voor dames en heren. De badknecht of badjuffrouw brengt je naar een vrij kamertje. Is het vol, dan kun je wachten in de wachtkamer. De kamers met de kuipbaden zijn ruim ingericht  (afb. 17). Het gebruikte badgoed gaat van boven door een koker naar beneden.

 

 

 

 

 

 

Wie wil zwemmen gaat vanuit de entreehal over de brede trappen naar de bel-etage, waar het kamertje van de badmeester of badjuffrouw is en de wachtkamer voor de zwembaden. Tussen beide kamertjes is de zogenaamde droge zwemschool. Van hieruit heb je zicht op het zwembad en op de achtergang langs de kleedkamers (afb. 5).

Elke cel (kleedhokje) heeft een eigen signaal, waardoor je kunt zien of deze vrij is. Vanaf de bassinkant is de deur gesloten en deze kan alleen worden geopend door de badmeester of badjuffrouw (afb. 8). Langs het perron komt men bij de douches, waar iedereen zich eerst moet reinigen. Elke douchekamer beschikt over een voetwasinrichting (afb. 7). Door een afzonderlijke sproeikraan heeft men hier het benodigde warme water, zonder dat men van de douche gebruik hoeft te maken.

Na het douchen kun je via twee zijden met een trapje het bassin bereiken. Aan beide zijden van de hal heeft men 2 maal 20 kleedkamertjes, daarnaast zijn in de rotonde 16 douches aangebracht. Als je de douche gebruikt, dan hang je je zwemkleding aan de deur, zodat iedereen kan zien dat het kamertje in gebruik is.

Voor het perron bij de douches wordt het water door een bronzen figuur (afb. 13) en 4 spuwers in het bassin gespoten, wat tevens een bron van vermaak is in de zogenaamde pierenbak, of ondiepe gedeelte. In het midden van de hal zijn er twee oefentoestellen en voor de kop twee springplanken en een springtoren. Naast de trapjes zijn er koude douches (afb. 14) en drinkfonteintjes (afb. 6) aangebracht. Boven is in het midden een ruim balkon voor toeschouwers bij wedstrijden.

Het vuile wasgoed gaat van de perrons af direct met kokers naar de wasserij. In de bel-etage hieronder is achter de droge zwemschool een gymnastiek- of schermzaal, voorzien van de nodige moderne gymnastiektoestellen en een kleine tribune voor toeschouwers. Daarnaast een afzonderlijke kleed- en toiletruimte (afb. 20). Rechts hiervan is het bureau van de directeur en de kamer voor de administratie. Ook is er achter de theesalon een vergaderzaaltje voor de clubs. Hiermee is het openbare gedeelte beschreven.

Buiten is er een sportafdeling. Eerst passeren we de fietsenbergplaats (afb. 18) met het huisje van de beheerder en reparateur en komen achter het gebouw aan de tennisvelden. De tennisclubs hebben in het gebouw aan de achterkant hun clublokalen en tevens de nodige toiletten.

Aan beide zijden van het gebouw zijn er woningen van de badmeester (afb. 19) en van de machinist. Verder is er nog een ontvangststationnetje voor de olie waarmee de ketels gestookt worden, een gebouwtje voor de ontijzeringsinrichting (afb. 3) en de bronnenputten. Onder het bassin is een schoonwaterkelder en daarachter het ketelhuis met machineruimte. Rechts hiervan de wasserij en links de filterafdeling. Het hele gebouw is opgetrokken met de meest moderne bouwmaterialen.

Technische gegevens en installaties
In dit gedeelte van de uitgave wordt tot in detail de werking van de technische installaties beschreven. Ik heb zo goed mogelijk geprobeerd dit leesbaar samen te vatten.

De badinrichting omvat:

  • 1 overdekt zwembassin met een inhoud van 575 m3 en een zwemoppervlak van 360 m2
  • 16 reinigingsdouches met voetbaden
  • 34 kuipbaden met douches en de aansluitingen voor nog 16 te plaatsen kuipbaden.

Het benodigde water wordt geleverd door 4 bronnen die op het terrein van de inrichting zijn geboord. Zij zijn door 2 hoofdbuizen aangesloten op een vacuümketel van waaruit het water door 2 zuigbuizen naar de pompen in het gebouw worden gevoerd.

Vanuit de ontijzeringsfilter stroomt het water naar de schoonwaterkelder. Van daaruit wordt het opgepompt naar 2 op zolder van het gebouw geplaatste reservoirs voor watervoorziening van de kuipbaden. Langs 3 kanten van het bassin loopt een afvoergoot waarin het overtollige water wordt opgevangen. Voor deze continueverversing van het bassinwateroppervlak dient een afzonderlijke pomp-aggregaat met voorverwarmer.

Water wordt diep uit het bassin naar het dak van het gebouw gepompt waar het door een filter onderworpen wordt aan luchtoxidatie en nafiltratie. Daarnaast wordt het gedesinfecteerd door toevoeging van een geringe hoeveelheid chloorzuur. Na voorverwarming wordt het weer in het bassin gestort. Op deze manier wordt de waterinhoud van het bassin voortdurend ververst en van schoon water voorzien.

De warmwatervoorziening van de kuipbaden verloopt via beide op de zolder geplaatste reservoirs, die ook het warme water voor de reinigingsdouches leveren. In de 16 reinigingscellen bij het zwembassin zijn de douches en voetbaden ingericht voor warm- en koud water, willekeurig regelbaar door middel van mengventielen.

Als warmtebron voor het gebouw zijn in het souterrain 5 geslagen ijzeren middeldruk-stoomketels geplaatst. De ketels zijn voorzien van een oliestookinrichting (afb. 23). De voor het stoken benodigde olie wordt per tankwagen aangevoerd en vloeit vanaf de nabij gelegen spoordijk door een ondergrondse leiding in de achter de ketels geplaatste oliereservoirs.

Vanuit de stoomverdeler lopen de stoomleidingen voorzien van afsluiters naar de verschillende apparaten en toestellen voor waterverwarming, luchtverwarming, wasserijbedrijf en verwarming van het gebouw. De verwarming van het gebouw in het koude jaargetijde gebeurt door gegoten ijzeren radiatoren. De perronvloer wordt verwarmd met warme lucht die door buisspiralen wordt gevoerd. Tevens wordt de stoom uit de verdeler benut in de wasserij voor de wasmachine, coulissendroogapparaat en stoommangel (afb. 16).

Er is een vernuftig systeem waarmee lucht van buiten wordt aangezogen en in de winter verwarmd wordt ingeblazen. In het midden van het plafond van het zwembad bevindt zich een rooster met klep en luchtafvoerkanaal om buiten openingstijden de ruimte te kunnen ontluchten en verversen. De pompen zijn direct gekoppeld met en benodigd voor bronwaterlevering, warm- en koudwaterdistributie zijn in de warmteruimte geplaatst (afb. 24).

Er wordt gebruik gemaakt van energielevering van het net van de PEN. Het hoofdschakelbord voor kracht en licht bevindt zich eveneens in de machineruimte. De installatie is toegerust met de benodigde apparaten voor het meten en controleren van de lucht- en watertemperaturen, luchtsnelheden en stoom- en waterverbruik.

Als laatste spreekt schrijver en architect van het gebouw, Ed. Kuijper de wens uit dat het bestaan van Stoop’s Bad tot meerdere bevordering van het algemeen volkswelzijn mag bijdragen.

Over de opening
Over de opening van het zwembad staat in deze uitgave niets beschreven. In het krantenarchief van Delpher is hierover interessante informatie te vinden:

Adriaan Stoop (bron: Wikipedia)

Het zwembad is gebouwd in opdracht van de bekende filantroop Adriaan Stoop. De plechtige opening vond plaats op dinsdagmiddag 27 september 1921 in de gymnastiekzaal. Vele autoriteiten en genodigden waren tegenwoordig. Behalve de heer en mevrouw Stoop, waren o.a. aanwezig de Commissaris van de Koningin in Noord-Holland Jhr. Mr. Dr. A. Roëll en zijn vrouw; het gemeentebestuur van Bloemendaal en het Tweede Kamerlid P. Otto.

Het eerst werd het woord gevoerd door de directeur van Stoop’s Bad, de heer Ch. de Roo van Alderwelt. Hij dankte de heer Stoop voor de schenking en de architect de heer Ed. Cuypers voor het scheppen van het monumentale gebouw. Daarnaast werden nog enkele andere betrokkenen bedankt.

De heer Otto kondigde vervolgens aan dat de heer Stoop zou worden benoemd tot ridder in de orde van de Nederlandse Leeuw. Namens de drie Haarlemse zwemverenigingen: de Haarlemse Dames-Poloclub Zignea; de Haarlemse zwem- en poloclub H.V.G.B. en de Haarlemse reddingsbrigade voor Drenkelingen voerde Dr. W.H. Merens het woord.

Daarna kwam de architect en het woord en vervolgens bracht de heer Stoop dank uit voor de vriendelijke woorden van de verschillende sprekers. Die avond was er een zwemfeest georganiseerd en op 1 oktober 1929 werd Stoop’s Bad voor het publiek geopend.

Later is er ook een buitenbad gebouwd. Hierover is de volgende terug te vinden:

Bron: Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Foto: G.J. Dukker (10-08-1992)

Daarnaast zijn er nog enkele interessante links:

Sluiting en nieuwe bestemming
In 1990 werd Stoop’s bad gesloten en geschonken aan de gemeente. In 1997 werd het gebouw aangekocht en werden er plannen gemaakt voor de bouw van 28 appartementen op een nieuwe fundering met behoud van de buitenmuren die op de Rijksmonumentenlijst staan. Meer informatie hierover vind je hier.

Op 2 november 2016 is er in het programma BinnensteBuiten aandacht besteed aan wonen in het voormalige badhuis. De uitzending kun je hier terugzien.